Hoi allemaal,
Recentelijk is arrest gewezen door de Hoge Raad inzake bewijslast
Whiplash-patieënten.
M.i. en het gehele arrest in ogenschouw genomen te hebben, meen ik hier te
maken te hebben, met een doorbraak. Dit soort teksten zijn meestal erg lang,
houd daar rekening mee als u begint te lezen :))
Gezien het feit dat een arrest moeilijk te lezen is, laat staan voor een
leek te begrijpen, zal ik me beperken tot een gedeelte van dit arrest en de
overwegingen van het Hof in Hoger Beroep. Voor de gehele teks kunt u mij
persoonlijk e-mailen.
Prettig weekend :-))
Met vriendelijk groet
Peter
pbosman@...
ICQ: no. 85676184
HOGE RAAD, 8 juni 2001, nr. C99/271HR (Overigens zal dit arrest zéker
gepubliceerd worden !! )
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt ZA in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze
uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Conclusie
A-G mr. Bakels:
1. Feiten en procesverloop
1.1. Deze zaak betreft de afhandeling van een aanrijding, veroorzaakt door
een verzekerde van De Zwolsche Algemeene (verder: ZA). Aan de orde is het
causaal verband tussen het ongeval en de sindsdien door [verweerder]
ondervonden klachten en arbeidsongeschiktheid. Daarnaast is aan de orde of
het hof de in zijn opdracht uitgebrachte deskundigenrapporten zo heeft mogen
interpreteren als het heeft gedaan en of het bij eindarrest (zonder meer)
mocht afzien van rapportage door een in een tussenarrest al benoemde
deskundige.
1.2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. ( De feiten,
inclusief de inhoud van de talrijke onderzoeksrapporten, zijn zeer
uitgebreid beschreven in het vonnis van de rechtbank van 16 februari 1996,
rov. 2.1 t/m 2.18. Tegen deze feitenvaststelling is door ZA in appel (grief
1) een aantal bezwaren naar voren gebracht, die door het hof bij arrest van
10 september 1997 grotendeels zijn verworpen.)
(a) Op 29 september 1990 heeft een aanrijding plaatsgehad waarbij de
personenauto van [verweerder], die voor een rood verkeerslicht stond te
wachten, van achteren werd geraakt door een met een snelheid van ongeveer 50
km per uur rijdende personenauto (hierna: het ongeval). De bestuurder van
deze laatste personenauto was ingevolge de WAM verzekerd bij ZA. ZA heeft
haar aansprakelijkheid voor de schade van [verweerder] als gevolg van deze
aanrijding erkend, maar zij heeft de hoogte van de schade en met name de
gestelde blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van het ongeval,
betwist.
(b) Na het ongeval heeft [verweerder] zich op 1 oktober 1990 ziek gemeld,
waarna hij een Ziektewetuitkering ontving. Op 29 juli 1991 ging [verweerder]
weer voor halve dagen aan het werk. Voor de overige 50% van zijn werktijd
ontving hij een Ziektewet-uitkering.
Vervolgens is aan [verweerder] per 1 oktober 1991 een AAW/WAO-uitkering
toegekend die berekend was naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 -
50%.
(c) [Verweerder] is per 10 januari 1992 weer 100% geschikt bevonden voor het
verrichten van zijn werk. Op die datum is hij weer volledig aan het werk
gegaan. Hij heeft zich vervolgens op 14 januari 1992 wederom ziek gemeld in
verband met concentratiestoomissen en pijn in zijn nek. Op 1 februari 1992
volgde een werkhervatting voor 50% van de normale werktijd.
(d) [Verweerder] is sindsdien 50% blijven werken. Na diverse onderzoeken is
hem per 1 april 1993 een WAO/AAW-uitkering toegekend op basis van een
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, welke werd aangevuld met een
WW-uitkering wegens een resterende theoretische arbeidsgeschiktheid van 10%.
Het door [verweerder] tegen deze beschikking ingestelde beroep is verworpen.
(e) Op initiatief van ZA is [verweerder] aanvankelijk onderzocht door de
orthopedisch chirurg dr. W.S. Zeegers, die op 16 september 1991
rapporteerde. Uit dat rapport heeft ZA afgeleid dat [verweerder] weer
volledig zou herstellen. Toen dat niet het geval bleek, heeft ZA
[verweerder] nader doen onderzoeken door de klinisch psycholoog dr E.M.M.
Oostdam te Eindhoven. ZA is zich ook naar aanleiding van de rapportage van l
aatstgenoemde van 13 april 1992 op het standpunt blijven stellen dat
[verweerder] niet arbeidsongeschikt was.
(f) Daarop heeft [verweerder] een advocaat ingeschakeld, waarna hij in
overleg tussen zijn advocaat en ZA wederom is onderzocht door de neuroloog
dr. J.F. de Rijk-van Andel. De inhoud van het door laatstgenoemde
uitgebrachte rapport van 18 juni 1993 was voor ZA geen aanleiding om haar
standpunt te herzien. [Verweerder] heeft zich daarop op eigen initiatief
gewend tot de neuroloog-psychiater dr. H. Hemgreen, die hem was aanbevolen
door de Stichting Nederlandse Whiplash Patiënten. ZA heeft het door
laatstgenoemde opgestelde rapport laten beoordelen door de neuroloog dr.
G.K. van Wijngaarden. ZA heeft vervolgens volhard in haar standpunt.
1.3. Tegen deze achtergrond heeft [verweerder] jegens ZA de onderhavige
procedure aanhangig gemaakt voor de rechtbank Den Bosch en een verklaring
voor recht gevorderd dat hij tengevolge van het ongeval (gedeeltelijk)
arbeidsongeschikt is geworden. Hij heeft voorts geëist dat ZA zou worden
veroordeeld tot vergoeding van de door hem ten gevolge van het ongeval
geleden en nog te lijden schade, bestaande uit f 30 000 aan immateriële
schade, f 25 000 als voorschot op inkomensschade en f 5080,12 aan kosten
raadsman en neuroloog, alsmede van verdere inkomensschade, op te maken bij
staat en te vereffenen volgens de wet.
ZA heeft verweer gevoerd en betwist dat [verweerder] arbeidsongeschikt is,
althans dat zijn gestelde arbeidsongeschiktheid zijn oorzaak vindt in het
ongeval. Voorts heeft ZA de omvang van de schade bestreden.
1.4. Bij vonnis van 16 februari 1996 heeft de rechtbank op basis van de
overgelegde deskundigenrapporten geoordeeld, dat vaststaat dat [verweerder]
door het ongeval eerst geheel en daarna gedeeltelijk arbeidsongeschikt is
geworden voor zijn beroep als buschauffeur, naar de mate waarin zijn
arbeidsongeschiktheidspercentages in de loop der jaren door "de instanties
van de sociale wetten" telkens zijn vastgesteld. De rechtbank zag geen reden
om in te gaan op het verzoek van ZA om nog een arbeidskundige in te
schakelen die op basis van de beschikbare medische informatie zou moeten
onderzoeken of sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voor het
beroep van buschauffeur en zo ja, welke andere beroepen voor [verweerder]
openstaan (rov. 4.4). De rechtbank heeft daarop de vordering van
[verweerder] grotendeels toegewezen (het smartengeld tot een bedrag van f 18
000) en [verweerder] in de gelegenheid gesteld bewijsstukken over te leggen
van betaling van de nota's van dr. Herngreen en zijn advocaat in verband met
de daarover gevorderde wettelijke rente.
1.5. Tegen dit vonnis heeft ZA hoger beroep ingesteld. Bij tussenarrest van
10 september 1997 heeft het hof kort gezegd als volgt geoordeeld.
(a) ZA stelt terecht voorop dat voor de vraag of [verweerder] gerechtigd is
tot schadevergoeding, naast de vraag of er sprake is van
arbeidsongeschiktheid, van doorslaggevend belang is of die schade is
veroorzaakt door, c.q. kan worden toegerekend aan het ongeval, dat is
veroorzaakt door de bij ZA verzekerde dader (blz. 3, derde tekstblok).
(b) Thans dient bezien te worden of er voldoende gegevens voorhanden zijn om
tot een eindoordeel te komen omtrent het voortbestaan de
arbeidsongeschiktheid van [verweerder], alsmede omtrent het eventuele
oorzakelijk verband tussen die arbeidsongeschiktheid en het ongeval (blz. 3,
zesde tekstblok). Het hof heeft na kennisneming van de reeds aanwezige
deskundigenrapporten, behoefte aan nadere voorlichting door deskundigen
(blz. 4, voorlaatste tekstblok). Het hof stelt zich voor dat zal worden
gerapporteerd door een orthopedisch chirurg en een neuroloog omtrent de
fysieke beperkingen, waarna een te benoemen arbeidskundige, aan de hand van
de bevindingen van orthopeed en neuroloog, kan rapporteren omtrent de
gevolgen van de aangetroffen beperkingen voor de arbeidsgeschiktheid van
[verweerder]
1.6. Nadat partijen zich hebben uitgelaten over de te benoemen deskundigen
en de aan hen te stellen vragen, heeft het hof bij tussenarrest van 28
januari 1998 een onderzoek gelast door een in dat arrest benoemde
orthopedisch chirurg, een neuroloog en een arbeidskundige. Het hof heeft in
het tussenarrest tevens de door die deskundigen te beantwoorden vragen
opgenomen.
1.7. De twee eerstgenoemde deskundigen hebben hun rapporten uitgebracht op
15 april resp. 20 maart 1998. Daarop heeft het hof op 1 juli 1998 een
tussenarrest gewezen en overwogen als volgt:
Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen, teneinde partijen in de
gelegenheid te stellen bij memorie te reageren op de beide rapporten. Daarna
zal het hof, voordat tot het arbeidskundig onderzoek wordt overgegaan, eerst
bij arrest ingaan op de medische aspecten van de zaak. Iedere verdere
beslissing wordt aangehouden
1.8. Na het wisselen van memories heeft het hof op 19 april 1999 eindarrest
gewezen. Daarbij heeft het met name overwogen als volgt:
(a) "Ofschoon iemand die stelt schade te lijden in het algemeen die schade
aannemelijk dient te maken, brengt de omstandigheid dat het hier gaat om een
syndroom waarvan algemeen bekend is dat dit moeilijk of slechts in beperkte
mate tot concreet waarneembare medische stoornissen valt te herleiden, met
zich mede dat de eisen die aan het bewijs kunnen worden gesteld niet al te
hoog dienen te zijn. Het komt dan - tot op zekere hoogte - voor risico van
de veroorzaker van het ongeval dat het oorzakelijke verband tussen ongeval
en klachten zich niet rechtstreeks laat aantonen en dat de klachten evenmin
te herleiden zijn tot medisch vaststelbare afwijkingen. Het hof verwijst
naar alinea 4, blad 4, van zijn tussenarrest van 10 september 1997 ( Zie
noot 6.) . Daarin wordt gerefereerd aan stoornissen die geobjectiveerd
kunnen worden. De beide door het hof benoemde deskundigen hebben geoordeeld
dat van objectiveerbare stoornissen geen sprake was, doch hebben - mede
gelet op de redactie van de vragen - daarbij het begrip "stoornis" in
beperktere zin opgevat dan het hof bedoelde. Het hof had niet enkel het oog
op "stoornissen" in de zin van medisch waarneembare beschadigingen,
afwijkingen of gebreken (van orthopedische of van neurologische aard), doch
ook op het bestaan van "klachten" die weliswaar naar hun aard subjectief
(...) zijn doch waarvan niettemin objectief vastgesteld kan worden dat zij
aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend, en niet overdreven zijn.
Uit de antwoorden van de deskundigen komt echter ook het antwoord op die
vragen voldoende uit de verf. (blad 2, laatste tekstblok, blad 3 eerste
tekstblok)"
(b) "De rapporten in hun onderlinge samenhang beziend, doch tevens in
aanmerking genomen de eigen bevindingen van de betrokkene [verweerder],
waarvan - het wordt herhaald - niet is gebleken dat hij zou simuleren of
overdrijven kan (in weerwil van de visie van Berendes dat [verweerder] door
de beperkingen niet gehinderd zou mogen worden in de uitoefening van zijn
flmctie als buschauffeur) de redelijkerwijze geen andere zijn dan dat
[verweerder] als gevolg van het ongeval gedeeltelijk arbeidsongeschikt is
geworden in die zin dat hij niet meer dan halve dagen als buschauffeur kan
werken. (blad 3, derde tekstblok)"
(c) Van [verweerder] kan niet gevergd worden dat hij voor de resterende tijd
ander werk gaat verrichten. (blad 3, laatste tekstblok).
(d) Bij deze stand van zaken behoeft bij nader inzien een arbeidskundig
onderzoek niet aan de orde te komen.
1.9. Het hof heeft vervolgens het vonnis van de rechtbank bekrachtigd,
behoudens enkele aanpassingen op het gebied van wettelijke rente die in
cassatie niet van belang zijn.
1.10. Tegen dit (eind)arrest heeft ZA tijdig cassatieberoep ingesteld ( De
cassatiedagvaarding is uitgebracht op 12 juli 1999.) . Tegen [verweerder] is
verstek verleend. ZA heeft het cassatieberoep vervolgens schriftelijk doen
toelichten door haar advocaat.