Hoi allemaal,
Bij vele zal al eens de vraag zijn opgekomen, hoe verloopt nu zo een
rechtbankprocedure.
In deze casus (zaak) hebben we te maken met het verzoek om een voorlopig
deskundigen-onderzoek !!
Hoe dat afloopt dat kunt u lezen, in onderstaande procedure.
(lang verhaal) Lees het desnoods in stapjes van 10 weken :-))
A R R O N D I S S E M E N T S R E C H T B A N K T E R O T T E R D A M
Zaaknummer/Rekestnummer: 135380/HA RK 00-181
De arrondissementsrechtbank te Rotterdam, enkelvoudige kamer.
De beslissing op het op 15 maart 2000 ter griffie van deze rechtbank
ingekomen verzoekschrift, met bijlagen, van:
de naamloze vennootschap
N.V. MAATSCHAPPIJ VAN ASSURANTIE,
DISCONTERING EN BELEENING DER STAD ROTTERDAM ANNO 1720,
gevestigd te Rotterdam,
verzoekster,
procureur: mr. P.W. van Baal,
advocaat: mr. W.A. Luiten te Rotterdam,
strekkende tot het bevelen van een voorlopig deskundigen-onderzoek.
Het verzoekschrift richt zich tegen:
[naam],
wonende te [woonplaats],
verweerster,
procureur: mr. F.A. Tromp,
advocaat: mr. J.F. Schultz te Emmen.
1. Het verloop van de procedure
Op 17 en 19 april 2000 zijn ingekomen respectievelijk de producties en het
verweerschrift van verweerster.
Ter terechtzitting van 20 april 2000 heeft de mondelinge behandeling van het
verzoekschrift plaatsgevonden. Op de genoemde zitting zijn verschenen en
gehoord:
a) mr. W.A. Luiten, en
b) mr. J.F. Schultz.
Partijen hebben ter terechtzitting hun standpunten nog nader toegelicht.
2. De bevoegdheid van de rechtbank
2.1
[Verweerster] heeft primair ten verwere aangevoerd dat de rechtbank
onbevoegd is van het verzoekschrift kennis te nemen, stellende dat de in
artikel 7 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM)
gecodificeerde verruiming van de competentie strekt ten behoeve van de
benadeelde en niet van de aansprakelijkheidsassuradeur.
2.2
De rechtbank verwerpt dit verweer en acht zichzelf bevoegd van het
verzoekschrift kennis te nemen. Artikel 228 lid 1 Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv) bepaalt - voor zover hier van belang - dat het verzoek
wordt gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van het geding
kennis te nemen, en dat de rechter summierlijk onderzoekt of hij bevoegd is
naar het onderwerp van het geschil.
In casu is door Stad Rotterdam een voorlopig deskundigenbericht verzocht,
vooruitlopend op een mogelijk door [verweerster] op grond van artikel 7 van
de WAM tegen haar aan te spannen geding. Artikel 7 van de WAM biedt de
benadeelde de mogelijkheid het geding tegen de verzekeraar aanhangig te
maken voor de rechter van de zetel van de verzekeraar, in casu de rechtbank
te Rotterdam. Indien [verweerster] Stad Rotterdam voor de rechtbank te
Rotterdam zou dagvaarden, zou zij zich derhalve bevoegd moeten verklaren.
Mitsdien is deze rechtbank bevoegd van het verzoekschrift voor een voorlopig
deskundigenbericht kennis te nemen. Dat artikel 7 WAM [verweerster] ook de
mogelijkheid biedt het geding bij andere rechtbanken aanhangig te maken,
doet daar niet aan af.
3. De beoordeling van het verzoekschrift
3.1
Op 1 maart 1997 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een door
[verweerster] bestuurde auto is aangereden door een personenauto bestuurd
door een op de voet van de WAM bij Stad Rotterdam verzekerde automobilist.
[Verweerster] heeft Stad Rotterdam aansprakelijk gesteld voor de door haar
geleden en nog te lijden schade. Stad Rotterdam betwist de aansprakelijkheid
niet. [Verweerster] had na het ongeval klachten van zodanige aard dat de
behandelend artsen spraken van post-commotionele en whiplash-achtige
klachten. Partijen zijn het niet eens over de vraag wat de aan het ongeval
toerekenbare afwijkingen, klachten en beperkingen zijn.
3.2
Door Stad Rotterdam is verzocht een voorlopig deskundigen-onderzoek ter zake
te doen verrichten door een neuroloog. Zij stelt voor naar keuze als
deskundige te benoemen dr.[deskundige 1], dr.[deskundige 2] of
dr.[deskundige 3]. Voor het geval [verweerster] zich niet met een van de
voorgestelde deskundigen kan verenigen, stelt Stad Rotterdam voor dat de
rechtbank dr.[deskundige 1] benoemt tezamen met een door [verweerster] voor
te dragen deskundige, met het verzoek aan beide deskundigen om
gemeenschappelijk te rapporteren.
3.3
In haar verweerschrift maakt [verweerster] bezwaar tegen alle drie door Stad
Rotterdam voorgestelde deskundigen, stellende dat zij geen vertrouwen heeft
in de objectiviteit van deze deskundigen. Zij is van mening dat alle drie
door Stad Rotterdam voorgestelde deskundigen, hetzij door eerder ingenomen
standpunten, hetzij door het feit dat zij regelmatig met verzekeraars
samenwerken, minimaal de schijn van partijdigheid hebben.
3.4
De rechtbank is van oordeel dat het doen ondergaan van een medisch onderzoek
een ingreep in de persoonlijke levenssfeer betreft die niet zonder
toestemming van de betrokkene mag plaats vinden, behoudens andersluidend
wettelijk voorschrift. In casu is er geen wettelijke bepaling die
[verweerster] verplicht zich te onderwerpen aan een medisch onderzoek.
Weliswaar heeft Stad Rotterdam een gerechtvaardigd belang om een voorlopig
deskundigenonderzoek te doen uitvoeren doch dit belang weegt minder zwaar
dan het belang dat [verweerster] heeft om zich daartegen te verzetten.
Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat het [verweerster] is die
het initiatief tot een bodemprocedure zal moeten nemen en dat zij in een
eventueel te voeren bodemprocedure in beginsel de aard en de omvang van haar
schade zal hebben te bewijzen. Haar weigering mee te werken aan een
deskundigenonderzoek ter vaststelling van de schade, kan in een
bodemprocedure in haar nadeel werken.
3.5
Door Stad Rotterdam is aangevoerd dat [verweerster] zich aldus feitelijk
beroept op een vetorecht, nu Stad Rotterdam haar tegemoetgekomen is door
drie namen van deskundigen te noemen en subsidiair in te stemmen met een
onderzoek door twee deskundigen, waarvan een aan te wijzen door
[verweerster]. Dit moge zo zijn. Het doet echter niet af aan het recht van
[verweerster] zich te verzetten tegen een medisch onderzoek door een
deskundige waarin zij (al dan niet terecht) geen vertrouwen heeft.
Indien [verweerster] persisteert bij haar weigering mee te werken aan een
onderzoek door een van de door Stad Rotterdam voorgestelde deskundigen, ook
indien zulks in samenwerking met een van de door haarzelf voorgestelde
deskundigen zou geschieden, heeft het geen zin een van de door Stad
Rotterdam voorgestelde deskundigen te benoemen.
Het verzoek van Stad Rotterdam zal in dat geval worden afgewezen.
4. Beoordeling van het bij verweerschrift gedane zelfstandig verzoek
4.1
[Verweerster] heeft bij antidotaal rekest verzocht een voorlopig
deskundigenonderzoek te doen verrichten door een neuroloog en een
neuropsycholoog, alsmede, mocht psychiatrisch onderzoek door deze
specialisten noodzakelijk worden geacht, door een psychiater. Zij heeft
daartoe ter keuze voorgesteld vier neurologen, twee neuropsychologen en twee
psychiaters
Voorts heeft zij verzocht een arbeidskundig onderzoek te doen verrichten
door een door haar voorgestelde arbeidskundige.
4.2
Stad Rotterdam heeft zich verzet tegen benoeming van de door [verweerster]
voorgestelde deskundigen, behoudens indien zulks zou geschieden tezamen met
benoeming van een van de door Stad Rotterdam voorgestelde deskundigen. Stad
Rotterdam heeft daartoe aangevoerd dat zij onvoldoende vertrouwen heeft in
een objectieve beoordeling door deze deskundigen.
4.3
De rechtbank is van oordeel dat in een materie als de onderhavige (de
beoordeling van zgn. "whiplash-trauma's"), waar tussen deskundigen zoveel
verschil van inzicht blijkt te bestaan, indien partijen over en weer geen
vertrouwen hebben in de door de wederpartij voorgestelde deskundigen, het
verrichten van een deskundigenonderzoek door twee deskundigen zoals door
Stad Rotterdam subsidiair is voorgesteld, aangewezen is om tot een zo
objectief mogelijke voorlichting van de rechtbank te komen. Het kan dan niet
zo zijn dat verweerster een vetorecht uitspreekt over alle door verzoekster
voorgestelde deskundigen en vervolgens bij antidotaal rekest zelf voorstelt
andere deskundigen te benoemen, waarvan zij kennelijk aanneemt dat deze een
voor haar gunstige zienswijze aanhangen. Dit zou er feitelijk op neerkomen,
dat verweerster de procedure voor een voorlopig deskundigenonderzoek
aanwendt om een onderzoek door een partij-deskundige te doen verrichten.
4.4
Indien [verweerster] persisteert bij haar weigering mee te werken aan een
onderzoek door een van de door Stad Rotterdam voorgestelde deskundigen, ook
indien zulks in samenwerking met een van de door haarzelf voorgestelde
deskundigen zou geschieden, zal de rechtbank derhalve ook het zelfstandig
verzoek van verweerster afwijzen.
5. Motivering tussenbeslissing
5.1
De rechtbank zal thans nog geen eindbeslissing geven op het verzoekschrift
en het antidotaal verzoek, nu door tijdgebrek tijdens de mondelinge
behandeling van het verzoekschrift partijen geen tweede termijn kon worden
gegeven en er mitsdien onvoldoende gelegenheid is geweest om partijen te
confronteren met de consequenties van hun processuele opstelling en te
trachten tot overeenstemming te komen.
5.2
Zoals uit het voorgaande blijkt, zal de rechtbank zowel het verzoekschrift
als het antidotaal verzoek afwijzen, indien [verweerster] persisteert bij
haar weigering zich aan een (mede) door een van de door Stad Rotterdam
voorgestelde deskundigen uit te voeren medisch onderzoek te onderwerpen.
Zoals hierboven eveneens aangegeven, kan deze weigering voor haar nadelige
gevolgen hebben in een later door haar aanhangig te maken geding. Bovendien
kan zulks tot vertraging leiden bij de vaststelling van de
schadeplichtigheid van Stad Rotterdam.
5.3
De rechtbank stelt [verweerster] daarom in de gelegenheid binnen drie weken
na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank mede te delen
of zij alsnog akkoord kan gaan met een voorlopig deskundigenonderzoek uit te
voeren door twee deskundigen, te weten een van de door haar in haar
antidotaal rekest voorgestelde deskundigen tezamen met de door Stad
Rotterdam voorgestelde deskundige dr.1.
6. De beslissing
de rechtbank,
alvorens verder te beslissen,
stelt [verweerster] in de gelegenheid binnen drie weken na de datum van deze
beschikking schriftelijk aan de rechtbank mede te delen of zij alsnog
akkoord kan gaan met een voorlopig deskundigenonderzoek uit te voeren door
twee deskundigen, te weten een van de door haar in haar antidotaal rekest
voor-gestelde deskundigen tezamen met de door Stad Rotterdam voorgestelde
dr.[deskundige 1].
Deze beslissing is gegeven op 18 mei 2000 door
mr. F.J.W.M. van Dooren, in tegenwoordigheid van
mr. S. Standaert-Dobbelaar, griffier.
1158
Met vriendelijke groet
Peter
P-Bosman@...
bosmanp@...
ICQ:no. 85676184